Levensverhaal van Gerrit Ponne (1880-1963)

Op latere leeftijd besloot Gerrit Ponne (1880-1963) ten behoeve van zijn kinderen en kleinkinderen op te schrijven hoe hij zijn uitzonderlijke jeugd als wees had beleefd. Omdat zijn verhaal niet alleen interessant is voor zijn naaste familie, maar ook als tijdsdocument voor anderen van belang is, volgt het hieronder.

Herinneringen uit lang vervlogen dagen

Het was een der eerste dagen van de maand Juli van het jaar 1887, dat een zevenjarige knaap stapte, aan de hand van een boerenvrouw, door de stille straten van het stadje Delden. De vrouw was gekleed in een nogal lang zwart jak, witte kantmuts, gouden bellen in de ooren, om den hals een groot snoer bloedkoralen, bijeen gehouden door een groot gouden slot. Een keurig, scherp gevouwen, groen zijden schort, waarvan de juist verdeelde ruitjes, schitterden als een brandglazen kerkraam, voltooiden haar toilet en bewees daardoor dat ze tot den zeer gegoeden boerenstand behoorde.

De knaap was gekleed in nieuw blauw laken kieltje met ceintuur, een dito broekje en op zijn hoofd een zwart petje met glimmende lakklep. De knaap was blijkbaar vermoeid en dit was ook geen wonder wanneer men bedenkt, dat hij s morgens al vroeg te Amsterdam was opgestaan - het was thans circa half drie - en dus een groote reis achter den rug had. Daarbij moest hij het vreemde van zoon reis nl. het steeds vreemde gezichten zien en het steeds kleiner worden van de groep kinderen waarmede hij gelijk uit Amsterdam was vertrokken ook verwerken in zijn jeugdig brein.

Even buiten het stadje stond een groote korenmolen en daarbij veranderde de steenweg in een zandweg met diepe karsporen en een smal voetpad aan weerszijden. Doordat de kleine baas moe en te warm gekleed was en het pad te smal was om naast elkaar te loopen, duurde het niet lang of hij bleef eenige passen achter zijn toekomstige pleegmoeder. Daarbij hingen de zwaar gevulde korenaren over het voetpad en raakten steeds juist in het gezicht van den jongen, waardoor hij ten slotte begon te huilen. De vrouw was hierdoor wel genoodzaakt - het was voor de boeren een zeer drukke tijd - haar pas te verminderen en den jongen weer bij de hand te nemen. Na bijna drie kwartier van het stadje verwijderd te zijn, werd dan eindelijk het toekomstige "home" voor den jongen bereikt. Het was een groote boerenhofstede aan den weg van Delden via Bornerbroek- naar Almelo.

De familie daar heette "Ten Pierik", de hofstede "Leusink", zoodat er gesproken werd van: Ten Pierik op Leusink, dit in verband mede, dat er meer Ten Pieriks woonden te Deldener-Esch. Zoo heette de buurtschap waarin het huis gelegen was. De vlakten die in kleistreken "polders" genoemd worden, heeten hier Eschgen. Dit zijn groote vlakten bouwland, het meest bezaaid met rogge. In genoemden Esch lagen 65 boerderijen, waarvan slechts twee particuliere eigendommen waren. Een van beiden was dat van mijn pleegouders. De overige 63, met al het land, was het eigendom van de Baron van Wassenaar van Twickel, wiens kasteel gelegen was aan den weg van Delden naar Borne.

Bij de koetsier van genoemden Baron (de familie Bethman) was mijn zuster gekomen, hetgeen voorwaar een groot verschil bleek te zijn met het leven van ondergeteekende. Ik heb in latere jaren meermalen (in stilte) de verzuchting geslaakt: Hoe is het mogelijk, dat twee kinderen uit n gezin zoo geheel verschillend kunnen worden opgevoed!! En dat verschil is gebleven tot in den ouderdom toe.

Ofschoon ik als jongen van zeven jaar dat boerenleven aanvankelijk wel nieuw en aardig vond, ontpopte het zich al ras, dat ik het slecht had getroffen. Het was werken en nog eens werken van 's morgens vroeg tot s avonds laat. Bovengenoemde vrouw is dan ook, volgens buren, voor haar tijd (49 jaar oud) door te hard werken, gestorven. Ze waren zeer geldgierig, niettegenstaande hun vermogen op 80.000 gld. werd geschat.

De gesteldheid van het land is daar z dat er maar weinig grasland is en veel bouwland, meestal het eerste langs het laatste gelegen is. Bovendien gaan de koeien in kleistreken voor den geheelen zomer naar buiten en worden in het najaar pas weer gestald. Dr echter moesten de koeien iederen dag binnen gehaald worden, wat zeer veel werk met zich bracht. Ze moesten dus des daags gehoed of wel bewaakt worden, door de ligging van het bouwland.

Ondergeteekende was dan ook (buiten de schooluren) steeds achter de koeien te vinden, koehoeder of koewachter genaamd. Dit heeft ondergeteekende jaren lang gedaan. Doordat ik een liefhebber van lezen was, gebeurde het meermalen, dat vr hij het gezien had, de koeien in het bouwland bezig waren en daar al heel gauw wat verwoestten. Straf, soms gevoelige straf bleef dan niet uit. Door het vele, zeer vele kou lijden, gebeurde het dat ik veel aan "bedwateren" leed, hetgeen dan door mijn pleegouders werd uitgelegd als moedwil, maar waar ik toch werkelijk niets aan doen kon. De straf daarvoor ontvangen zou ik thans niet graag meer in ontvangst willen nemen. De hevige nierziekte die ik enige jaren later kreeg was dan ook een gevolg van die dagen.

Wanneer ieder, door de regen thuis was, waren ze "bij Leusink" nog altijd op het land en zeker de koewachter, daar de koeien niet overdag op stal mochten daar dit dadelijk extra voer kostte. Het leven dr heeft voor mij bijna 8 jaar geduurd. Ik was 15 jaar geworden en wist tenslotte met zeer veel moeite er vandaan te komen. Ze wilden me bijna met geweld en tevens met goedvinden van den gemachtigde van het Weeshuis, den heer Ten Seldam, houden. Zooals ik zeg: met veel moeite ben ik er vandaan geraakt.

Mijn broer Leendert was intusschen getrouwd (hij was 12 jaar ouder). Hij woonde in Kampen, was stuurman, matroos en dekknecht op de postboot, benevens vrachtboot, varende dagelijks Kampen-Urk-Enkhuizen heen en terug. Hij had gedaan weten te krijgen, dat het weeshuis mij bij hem in de kost deed. Inplaats van boer zou ik nu machinist worden, was het plan, hetgeen helaas! geheel anders is uitgepakt. Ik kreeg werk op de machinefabriek van de firma Penning, bekend over het geheele land door zijn gesmeed ijzeren riemschijven.

Toen ik bij mijn broer werd uitbesteed, had hij, de groote, sterke man een kwaal opgedaan, doordat hij, met nog twee anderen, drie dagen en drie nachten, in den barren winter van 1890, op het ijs van de Zuiderzee had doorgebracht. De postboot was tusschen Urk en den IJselmond bijgenaamd de Ketel, ingevroren. Er was met geen mogelijkheid verbinding met den vasten wal te krijgen. En van de drie personen stierf al gauw van de opgedane koude en ontbering. De tweede volgde na twee jaar, en na vier jaar openbaarde zich bij mijn broer ook de gevreesde t.b.c., men sprak toen van tering. Toen ik bij hem kwam had hij reeds zijn betrekking op de boot moeten verwisselen met cafhouder te worden. Hij woonde toen in een caf gelegen aan den Vloeddijk hoek Cellebroedersweg. Ik kwam dus circa Februari 1895 bij hem in de kost. Doch als het ware, met mijn komst bij hun, kwamen ook de tegenslagen. Het duurde niet lang of mijn broer werd bedlegerig. Driftig als hij was, werd zijn humeur er ook niet beter op. Daarbij het te weinige kostgeld wat ze kregen voor mij en het volstrekt geen drukke zaak zijn van hun caf, dit alles maakte, ook voor mij, het leven nu juist niet tot het ideale. Ik had er van te voren zveel van gedroomd! Doordat mijn schoonzuster veel tijd achter het buffet moest doorbrengen, liet eten en verdere verzorging nogal te wenschen over. Alles ging dan ook dat jaar bergafwaarts, met gevolg dat ze mij weer gauw kwijt wilden, daar ik door hun, mede als oorzaak, van hun achteruitgang beschouwd werd. Februari 1896 nam ik dan ook voor goed afscheid van mijn broer, die te bed lag, en den indruk maakte dat hij het wel niet lang meer maken zou, hetgeen dan ook geschied is, n.l. vier weken nadien kreeg ik reeds zijn doodsbericht. Ik heb hem, na dat afscheid dus nooit meer gezien. Dit jaar is door mijn geheele leven dan ook steeds met weemoed herdacht, te meer daar ik geheel verkeerd beoordeeld ben geworden.

 

Ik werd dan weer in Amsterdam ontboden in het Weeshuis eigenlijk is de benaming: Inrichting voor Stadsbestedelingen, Prinsengracht no. 434 te Amsterdam-. Na een flink standje van den zeer ouden directeur den Heer Beudeker te hebben ontvangen, werd ik den volgenden dag naar Noord-Brabant, naar Heusden gezonden. Daar was intusschen ook tante Grietje geplaatst bij de familie Molhuyzen en leerde voor onderwijzeres. Ik werd te Heusden door den Heer Reckleben, gemachtigde of wel weesvader genoemd, ontvangen, die mij overgaf aan den Heer De Bruyn, smid, wonende te Babiloninbroek, een plaats van 700 800 inwoners, op twee uur afstand van Heusden en ook van Waalwijk.

Weg! was dus mijn ideaal van machinist worden. Nu boerensmid, want anders dan boeren woonden daar niet. De Bruyn had mij onderweg wel verteld dat hij twee ongelukkige kinderen had, maar toen ik bij mijn thuiskomst aldaar kwam, tartte dat alle beschrijving. De oudste van die twee, een jongen, had meer van een dier dan van een mensch, was 18 jaar oud, aldoor in zakken gekleed, kon niet praten, stiet dierlijke geluiden uit, was van de zeven dagen minstens drie geheel bewusteloos en wanneer hij dan bijkwam was zoon jongen geheel uitgehongerd, moest met beleid gevoed worden, liet (met permissie) alles loopen en verviel na 3 4 dagen weer in zijn bewusteloosheid. Het stonk er dan ook ontzettend en het huisgezin werd daardoor door buren en familie gemeden. De andere jongen, 7 jaar oud, was niet z erg doch met het opgroeien werd die ook erger, kon ook niet praten en bevuilde zich ook. Buiten die twee hadden ze nog een dochter, de oudste, die eenige jaren later door een onverlaat nog zwanger werd gemaakt. Deze dochter was wel niet krankzinnig, dan toch onvolwaardig, wat goed aan haar te zien was. De vierde, een zoon, Gerrit geheeten, was daarentegen zeer verstandig, bijna een genie. Deze is als soldaat (in vredestijd) helaas gestorven. De geheele familie is thans, behalve de dochter overleden. Zij hier nog even aangestipt dat de familie zeer vroom was. Het toonde veel overeenkomst met het gezin Job, uit den Bijbel.

Zooals ik boven zeide, kwam ik daar voorjaar 1896. Dat ik niet veel animo aan den dag legde voor mijn nieuwen werkkring is zeker wel begrijpelijk. Ik was er 8 weken en kreeg toen in hevigen graad de nierziekte, urineerde twee weken lang enkel bloed. De eerste dagen was ik volstrekt niet buiten gevaar. Tante Grietje was geslaagd en was solliciteerende naar de betrekking van onderwijzeres. Ze kon me dus goed oppassen, daar ze toch geen werkkring had. Zulks is dan ook gebeurd. Ik werd behandeld door docter Hennequin, woonachtig te Wijk bij Heusden, de dichtstbijwoonende docter. Melk en nog eens melk was mijn eenig voedsel. De rekening van melk was zelfs z hoog dat het weeshuis aanvankelijk weigerde ze te betalen n.l. f 27,50 aan melk. Langzamerhand werd ik toch weer beter. En de gedachte, dat God een Vader der Weezen is, is in mijn leven meermalen ten duidelijkste bewezen. Ook nog na dat voor mij- rampjaar 1896. Na 10 weken was ik weer (dat dachten we tenminste) hersteld.

 

Dr. Hennequin zeide tot mijnheer Reckleben: "Smid mag hij in geen geval blijven, een zeer ongeschikt vak voor een jongen als hij". "Wat moet hij dan worden?" was de vraag van mijnheer R. Deze zeide: "Ik heb nog een aanvraag voor: kleermaker, horlogemaker en schilder, en schoenmakers bij de vleet." (Ik bevond me nl. in het schoenmakersland). Ik koos schilder, als vanzelf sprekend, tegen mijn zin. Na 18 weken bij de familie De Bruyn te Babiloninbroek te hebben gewoond, verhuisde ik naar Grewelduin-Capelle (in de Langstraat), z heet de streek tusschen s Hertogenbosch en Geertruidenberg, eenige dorpen in een rechte rij.

Mijn baas heette Teunis den Hollander, een nogal bekwaam schilder. Hij deed samen met een ongehuwd fotograaf, Willem Mouthaan geheeten, een man die goed fotograaf was, doch op krukken sprong. Door genoemd gebrek kon hij nooit het fototoestel en wat er bij behoort, dragen, zoodat ik altijd met hem mee moest, dat te dragen. Ik was dus voor de helft schilder en voor de andere helft fotograaf. Dat laatste werk leek me heel goed en ik begon me al aardig aan mijn weer nieuwe, werkzaamheden te gewennen, toen het plotseling weer een wending nam. Het was intusschen nazomer geworden, dat ik op een keer in Heusden bij mijnheer Reckleben moest zijn om nieuwe kleeding aan te vragen, dat ik daar ook docter Hennequin ontmoette. Deze bekeek me zeer opvallend, van voren en van achteren, sloeg zijn handen in elkaar, en zeide bijna schreeuwend tegen mij: "Wel kerel!! wat scheelt jou?" Ik keek hem verwonderd aan, ook mijnheer R. begreep er niets van, waarop de docter tegen mijnheer R. zeide: "Ziet ge dan niet mijnheer, dat die jongen heelemaal in elkaar groeit, het duurt niet lang meer of hij loopt op zijn knien inplaats van op zijn voeten.. Hij moet onmiddellijk naar Amsterdam om opgenomen te worden in een der ziekenhuizen."

Toen zag ook mijnheer Reckleben het en ik zelf ook, dat ik in hooge mate X-beenen had. Wel was me door mijn baas, Den Hollander, meermalen gevraagd: "Hoe komt het toch dat je zoo gemakkelijk en onverwachts valt?" Dit bleek achteraf een geval van zwakte te zijn, ook hadden mijn beenderen, bleek later, niet voldoende merg als gevolg van de nierziekte.

 

Ik moest dus hier ook weer hals over kop vandaan. Weg! was ook weer mijn fotograaf worden. Het weeshuis, beter gezegd de inrichting, was er van verwittigd en zoo gebeurde het dat ik op een der eerste dagen van October s avonds te half 10, na den geheelen dag gereisd te hebben, eerst naar Heusden en toen naar Amsterdam, in het Wilhelmina-Gasthuis te bed lag. Wel niet veel woorden, maar wel veel moeite. Zooals ge na kunt gaan, gebeurde dit alles in n jaar. Dat ik zoo zachtkens de wanhoop nabij werd, is zeker wel begrijpelijk.

In het gasthuis eerst in het bad en toen te bed. Den volgenden dag werd ik terdege onderzocht na verteld te hebben dat ik dat voorjaar nierziekte had gehad. De docter bevond dat die nog niet geheel over was, dat ik aan zware hartkloppingen leed en dat wat de beenen betrof geen hoofdzaak was. Ik werd direct op dieet gesteld: veel melk en en karnemelk met suiker en als voedsel rijst en beschuit. Dit dieet, dat voor mijn hongerig gestel een beproeving was, duurde drie weken. Toen was ik zoover dat er met mijn beenen een aanvang kon worden gemaakt. Ik was doordat ik zoo laat binnen kwam, op een zaal gelegd waar ik niet hoorde, hetgeen tot gevolg had dat ik ook door een docter behandeld werd, wiens werk het eigenlijk niet was, n.l. gipsverbanden leggen.

Na eenige weken werd dit ontdekt door de docter die uitsluitend dat werk behandelde. Hij vroeg me wie heeft dat gipsverband gelegd, op mijn antwoord Dr. Prins, zeide hij (Dr. Cool): "Daat deugt niets van, je komt bij mij op de zaal en ik zal het opnieuw leggen." Zulks gebeurde dan ook. Het bleek veel te dun te zijn, zoodat de beenen niet in den juisten stand werden gedwongen. Daarna werd het door hem aangelegd met behulp van eenige zusters, die door stevige windsels de kniegewrichten met alle kracht naar buiten moesten trekken, terwijl hij een zeer dik (wel een vingerdik) gipsverband legde. Ik heb toen 5 maanden in het Wilhelmina Gasthuis doorgebracht en werd eind Februari 1897 als genezen ontslagen.

Moest toen weer voor den directeur der inrichting den heer Beudeker verschijnen. Liep weer standjes op alsof al die dingen mijn schuld waren, doch hij bedaarde nogal gauw. Zijn aanvankelijk kwade bui sloeg over in medelijden. Hij riep een der klerken en vroeg wie en waar jongens gevraagd werden. Na het opslaan der registers bleek dat er te Sprang (N.Br.) een schilder een jongen vroeg. Dat komt mooi uit zeide hij. Dicht daarbij ben je alreeds geweest. En zoo ging ik dan na een paar dagen naar Sprang en kwam terecht bij den heer Frans Maat, schilder.

Hiermede werd Goddank een tijdperk van teleurstellingen en verdriet afgesloten. Aanvankelijk nog wat stijf in de beenen, bekwam ik daar zienderoogen. De baas was een verstandig en goedhartig, man, hetgeen den invloed daarvan op mij dan ook niet miste. Ik lei me dan ook met hart en ziel op mijn werk toe, gevoelde me thans kerngezond en werkte ook zeer tot tevredenheid van mijn baas. Door mijn grootte werd ik gauw de vaste knecht en kon de baas al gauw het volle uurloon woor mij schrijven (ten zijnen bate). Ik verdiende dan ook al twee kwartjes per week boven de kost!! (Wie lacht daar?)

Na een verblijf van 5 jaar aldaar had ik het gebracht tot f 2,50 per week boven kost en inwoning winter en zomer. Hiervoor moest gewerkt worden van licht tot donker. Zomers hoorden we het, in de werkplaats nog vijf uur slaan s morgens en s avonds was de zon al onder alvorens we ophielden, s winters zelfs bij lamplicht. Toch was het een gewoon geldend loon in die dagen. Ik ben hier, bleek later, toen het gesukkel weer begon, nog veel te vroeg weggegaan. Met veel genoegen gedenk ik thans nog die jaren!! Ze waren mijn gelukkigste!!

Na een paar malen tevergeefs geprobeerd te hebben zelf patroon te worden, ik had n.l. geen financin, trachtte ik een vaste positie te krijgen. Eerst in het najaar 1903 probeerde ik het bij de post in Amsterdam, doch ging in het voorjaar weer schilderen, ben in de Leur, een dorp bij Breda, eenige maanden geweest, moest daar, toen ik wegging (Nov.) aangekleed en wel van s morgens acht uur tot des s middags twee uur wachten eer de baas mijn geld, zijnde 57 gld. bij elkaar had gescharreld. Je maakt wat mee. Ik heb dien winter weer in Amsterdam doorgebracht, mijn geld schoon opgeteerd, heb een tijdlang in Amsterdam als schilder gewerkt en kwam met Pinksteren zonder werk verhuurde me weer voor vast, tegen een klein loon en kwam in s-Gravendeel terecht. Na hier vanaf Pinksteren tot November. te hebben gewerkt, moest ik ook hier vandaan, aangezien ik me niet wilde verbinden voor een jaar vast tegen een laag loon. Kwam weer in Amsterdam met onvoldoende geld ( voor den geheelen winter) op zak en nam me thans voor; dat wanneer ik weer aan de post kon komen, dan te blijven volhouden. Zulks is dan ook gebeurd. Ik heb toen van najaar 1904 tot 16 Dec. 1905 als hulpbesteller bij de post gewerkt, met maar twee weken zonder werk. Ik heb verschillende kosthuizen gehad in dien tijd en kreeg met ingang van 16 December. een vaste aanstelling. Was het loon in 1903 f 1,50 per dag, toen ik in 1904 terug kwam, vertelde de chef me dat het loon flink was verhoogd, n.l. van f 1,50 op f 1,80 per dag was gebracht. Ik moest beamen dat dit een mooie verhooging was...

Hiermede raak ik zoo zachtkens aan aan het eind van hetgeen (jullie mijn kinderen) niet konden weten. Na twee jaar nog ongetrouwd te zijn geweest, probeerde ik het meisje, dat ik tijdens mijn verblijf in ' Gravendeel had gehad, nog terug te krijgen, wat gelukte en ben toen in Februari 1908 getrouwd.

Na 6 jaar bij de P.T.T. te hebben doorgebracht heb ik een jaar verlof gehad, ben toen met oom David, moeders broer, naar Canada gegaan, waarvan ik na 10 maanden alleen ben teruggekomen. Ik heb dat jaar ook zeer veel meegemaakt, soms bijna ongeloovige dingen. Doch alles te zamen gevat, moet ik maar bekennen: dat God mij meermalen wonderlijk heeft bewaard.

Ik heb nog vergeten te melden, dat ik in Sprang juist met de kroningsfeesten 1898 zeer ernstig ben gevallen, ik ben toen opgeraapt met een bloeduitstorting in de hersenen en een wervelverschuiving in den nek. Men vreesde toen voor mijn leven. Ook heb ik in dezelfde plaats een loodwitvergiftiging gehad, wat ook zeer ernstig is.

Het verdere leven van den weesjongen G.P. is jullie ongeveer wel bekend.

 

Amsterdam Maart 1943.

 

terug